| Column: Augustus 2007 | Archief |
De boodschap was duidelijk. Regelmatig bezoek ik scholen om de jeugd kennis te laten maken met de beginselen van het karate en, natuurlijk, de vereniging Funakoshi. Tijdens de les maken de kinderen kennis met een warming-up, leren ze een paar eenvoudige technieken en mogen ze een oefening doen waarbij de één stoot en de ander verdedigt. Bijna altijd is het dikke pret, doet iedereen enthousiast mee, vliegt het uur om en is er nauwelijks tijd over voor het vragenrondje, waarbij je overigens de meest verrassende dingen te horen krijgt. Hoe oud was u toen u met karate begon, bent u getrouwd, doet u eens een springende schop voor, hoeveel kinderen heeft u? Dat je niet iedereen in één les een helder beeld van onze edele Japanse kunst van zelfverdediging kunt geven, bleek toen een klein kereltje zijn vinger opstak. “Wanneer gaan we nu karate doen”, luidde de vraag, en dat nadat we net een hele les bezig waren geweest. Tsja, daar sta je dan met je mond vol tanden. Hij had waarschijnlijk verwacht dat we op spectaculaire wijze dakpannen, ijsblokken of broodplanken door gingen slaan, of dat we elkaar eens flink te lijf zouden gaan. Niets van dat alles, het leek er zelfs in de verste verte niet op. Het foldertje met meer informatie, dat alle deelnemers na de les meekregen, vond ik als prop terug in de kleedkamer. Yoshi |
|
Bijgewerkt: 17 mei 2012
Fun
à la koshi » Column






