Bijgewerkt: 17 mei 2012
Karate » Geschiedenis

Monnikenwerk

Wie een willekeurig voorbijganger vraagt uit welk land karate afkomstig is, zal ongetwijfeld als antwoord krijgen: uit Japan. Gedeeltelijk goed. Weliswaar is karate evenals automobielen en videorecorders een succesvol exportartikel, de oorsprong ligt echter niet in het land van de rijzende zon.

De oorsprong van het karate lijkt in India te liggen. Karate schijnt zijn mars over de wereld te zijn begonnen toen de grondlegger van het Zen-Boeddhisme, de monnik Bodhidharma omstreeks 500 na Christus van India naar China trok om in het Shaolin klooster deze leer te onderwijzen. Zijn lezingen waren zo inspannend en uitputtend, dat de monniken dit fysiek en geestelijk niet konden uithouden. Om hen hiertoe in staat te stellen, onderwees Bodhidharma de monniken in een vechtkunst die hen zo hardde dat zij nu wel in staat waren om de essentie van het Boeddhisme te doorgronden. De vechtkunst verspreidde zich over andere kloosters en werd bekend onder de naam ‘Kempo’.

Of Bodhidharma echt geleefd heeft is nooit bewezen. Misschien staat hij symbool voor verschillende personen die in die periode bijdroegen tot de ontwikkeling van het kempo in China.Een meer profane verklaring voor de ontwikkeling hiervan is de volgende. De Chinese kloosters bevonden zich in afgelegen gebieden en waren derhalve veelvuldig doelwit van rondtrekkende roversbenden. Om deze van het lijf te houden, gingen de monniken zich bedienen van verdedigingstechnieken die aansloten bij hun leer: een verdedigingskunst waarbij geen gebruik hoefde te worden gemaakt van wapens.













Okinawa

In die periode groeide een levendige handel tussen China en de Ryukyu-eilanden, waarvan Okinawa het grootste is. Handel en wandel gaan nu eenmaal samen en het kon niet uitblijven, dat naast de uitwisseling van goederen er ook één van culturen plaatsvond. Onder de Chinese handelaren bevonden zich kempo-experts die zo vriendelijk waren hun kennis over te dragen aan Okinawezen. Op het eiland bestond al een vorm van vechtkunst en samen met de Chinese technieken ontwikkelde deze zich tot wat is gaan heten Okinawate of karate.

Evenals in de vorige eeuw was Japan in het verleden een op expansie beluste macht. Medio vijftiende eeuw moest ook Okinawa voor de Japanse militaire macht buigen. De Japanse bezetters stelden een verbod in op het dragen van wapens en later zelfs op het in bezit hebben van wapens. “Als je dan geen zwaarden mag dragen, moeten je handen en voeten maar omgevormd worden tot zwaarden”, zullen de Okinawezen gedacht hebben. De kunst van het ongewapend gevecht ontwikkelde zich razendsnel.










Gichin Funakoshi


Rond 1920 bezocht de Japanse kroonprins Okinawa en kreeg daar een demonstratie karate te zien. Diep onder de indruk verzocht hij de eilandbewoners een afvaardiging naar Japan te sturen om ook daar hun kunst te demon-streren. Men besloot Gichin Funakoshi te sturen, naast zijn vakmanschap in het karate was hij als onderwijzer ook een ontwikkeld persoon, en leek hij de aangewezen persoon het karate te promoten. Het bezoek van Funakoshi aan Japan werd een ware triomftocht en hij is nooit meer terug-gekeerd naar Okinawa. Om zijn kunst in Japan te promoten wijzigde Funakoshi het karate in een aantal opzichten. Zo gaf hij de Chinese termen die gebruikt werden een nieuwe, Japanse, naam en nam hij dingen over uit Japanse kunsten als het judo en aikido.

Zo ging men witte pakken dragen als in het judo en werd ook een gradueringssysteem ingevoerd. Langzaam veranderde het karate in een puur Japanse kunst. In 1957 stierf Funakoshi op 88-jarige leeftijd. De vader van het moderne karate bleef tot aan het einde van zijn leven actief bezig met zijn zo geliefde kunst.




Wereldwijd

De laatste jaren is het hard gegaan met de ontwikkeling van het karate. Miljoenen karateka’s over de hele wereld beoefenen de ‘weg van de lege hand’. Toen Funakoshi onderricht kreeg in karate moest dat ’s avonds in het geheim gebeuren en mocht zijn omgeving daar geen weet van hebben. Tegenwoordig beweegt de schare van karateka’s zich richting dojo in auto’s die voorzien zijn van stickers met teksten als ‘I love karate’, waarbij het karatepak keurig is opgeborgen in een grote sporttas, waarop in grote letters ‘karate’ is gedrukt.

In de tweede plaats ontwikkelde karate zich van een kunst waarin de opbouw van geestelijke waarden een belangrijke plaats innam tot een sport, waarbij het wedstrijdelement een steeds grotere plaats ging innemen. Of Funakoshi met die laatste ontwikkeling zo blij zou zijn geweest, is de vraag. Een wedstrijd in karate veronderstelt een aanvaller en een verdediger. Hoe verhoudt zich dat met de volgende woorden die op het graf van de oude meester staan gebeiteld: “Er zijn geen aanvalstechnieken in karate”.